Opleiding
Het studiejaar van de vierjarige opleiding loopt van september tot en met juni en bestaat uit vijfendertig lesweken. Elke week zijn er twee bijeenkomsten van elk drie uur. Verspreid over het studiejaar zijn er bovendien vijf lees- en kijkblokken. Daarnaast werkt de student zelfstandig.
De producten van het thuiswerk worden in werkgroepen besproken; elke student krijgt commentaar op het individuele werk in uitvoering. Vanaf het derde lesjaar verschuift het accent van de opleiding meer en meer naar zelfwerkzaamheid.
Eerste twee studiejaren: oriëntatiefase
De artistieke bagage van een beginnend schrijver is doorgaans ontoereikend. Zelden zal een eerstejaarsstudent al inzicht hebben in proza, poëzie, essay, toneel én scenario. Doorgaans is ook nog niet helder welke toekomst het persoonlijk talent kan bieden. Daarom ligt het accent in de eerste twee studiejaren op verkenning van de literaire genres en de eigen mogelijkheden. Doorloopt de student deze eerste fase met succes, dan wordt hij toegelaten tot de tweede fase: die van de professionele schrijfpraktijk.
Eerste jaar: verkenning van de vijf literaire genres
Tijdens de oriëntatiefase maken de studenten kennis met verschillende genres, theoretische begrippen, vormprincipes, technieken, methodieken en vingeroefeningen in schrijfkunst. Het eerste jaar gebeurt dit in vijf blokken van elk acht bijeenkomsten per genre (poëzie, toneel, scenario, proza en essay). Daarnaast volgt de eerstejaarsstudent vrijwel het hele jaar schrijftraining, en zijn er de verplichte lees- en kijkblokken. Om tot het tweede studiejaar te worden toegelaten moet de student voor minstens vijf van de zeven modules een positieve beoordeling behalen.
Tweede jaar: keuze voor het hoofdvak
Aan het eind van het eerste jaar kiest de student twee genres, die worden beoefend in de eerste vijf maanden van het tweede studiejaar. Halverwege het jaar, in januari, wordt de keuze voor het hoofdvak gemaakt. In de tweede helft van het studiejaar volgt de student het hoofdvak en schrijftraining. Aan het eind van het jaar wordt de student beoordeeld op grond van zijn hoofdvakwerkstuk. De beoordeling is streng. Bij twijfel wordt de student niet tot de tweede fase toegelaten.
Professionele fase
H
et onderwijs in de professionele fase, dus in het derde en vierde studiejaar, behelst verdere ontwikkeling van vormprincipes en techniek, verdieping van inzicht in het eigen schrijfproces en vergroting van de intellectuele mogelijkheden. De student richt zich hierbij op de ontwikkeling van zijn stijl.
Derde jaar: zelfstandig auteur
In het derde jaar werken studenten in principe het hele jaar met dezelfde docent. Deze geeft weerklank op het geleverde werk, maar de student moet zich nu tot zelfstandig auteur ontwikkelen. In feite begint hij zijn eigen schrijfpraktijk. Dit vereist meer werkuren dan in de eerste twee studiejaren. De student wordt geacht die vrij te maken, ook om zijn vakgebied intensief te verkennen. Een student die in zijn ontwikkeling stagneert kan aan het eind van het derde studiejaar het bindende advies krijgen om dit jaar over te doen, of te stoppen.
Vierde jaar: individuele begeleiding
De begeleiding in het vierde jaar is individueel. De begeleider is doorgaans een reeds gevestigde auteur op het betreffende vakgebied. Studenten kiezen zelf een begeleider, waarna deze door de school wordt benaderd. Indien de begeleider bewilligt, stellen student en begeleider in onderling overleg werkafspraken en bijeenkomsten vast. Naast de individuele begeleiding kunnen de studenten hun werk in uitvoering periodiek bespreken met jaargenoten. Ook hebben ze toegang tot lees- en kijkblokken, gastlessen, lezingen en andere activiteiten van de school.
Ter afsluiting van het vierde jaar schrijft de student een bekwaamheidsproef. Die tekst moet in principe geschikt zijn voor publicatie, vertoning of verfilming.
Schrijftraining
Tot en met het derde jaar is er schrijftraining. Daarbij gaat het niet om het eindproduct, maar om fragmentarische oefening. De studenten krijgen opdrachten om hun perceptie ontvankelijker te maken en aan te scherpen, de fantasie te trainen, het associatievermogen te prikkelen, en de grenzen van de verbeelding te verleggen. De zintuigen worden nadrukkelijk aan het werk gezet, vooroordelen gaan overboord, de creatieve durf wordt aangespoord. Er zijn ook opdrachten om technieken aan te leren, procédés toe te passen, uiteenlopende verhaalregisters uit te proberen, en te experimenteren. Schrijftraining wordt in een groot deel van het eerste studiejaar gegeven en in de tweede helft van het tweede jaar. In het derde studiejaar is schrijftraining in principe facultatief.
Aansluiting bij de praktijk
De vijf fictionele genres die deel uitmaken van onze opleiding staan op gelijk niveau. Niettemin zijn er duidelijke verschillen. Prozaschrijvers, dichters en essayisten streven naar een boekpublicatie; toneelschrijvers en scenaristen zullen hun tekst op uitvoering of verfilming moeten afstemmen. Dit veronderstelt dat schrijvers in deze twee genres ook een grondige kennis van de praktijk moeten hebben. Verwerving van die kennis is onderdeel van de opleiding. Vanaf het tweede jaar worden voor studenten toneel en scenario workshops en readings georganiseerd, waarbij hun teksten in samenwerking met acteurs, filmmakers en/of regisseurs, aan de praktijk worden getoetst.
Ook voor de andere genres streven we naar aansluiting bij de praktijk. Zo is er voor derde- en vierdejaarsstudenten een speciale bijeenkomst over de zakelijke kanten van het schrijverschap (auteursrecht, uitgeverscontracten, acquisitie, fondsen, fiscale aangelegenheden). Voor derdejaars proza- en essaystudenten is er een blok met acht lessen eindredactie. Verder worden er in het derde jaar podia georganiseerd waarbij studenten zich kunnen bekwamen in de voordracht van het eigen werk. Ook voor de eerstejaars is er in het voorjaar een dergelijke avond, waar studenten in een ongedwongen sfeer en op vrijwillige basis kunnen voordragen uit eigen werk.
Ten slotte zijn er verspreid over het studiejaar voor alle studenten en cursisten diverse gastlessen, masterclasses en lezingen, bijvoorbeeld door recensenten, redacteuren, uitgevers en -uiteraard- schrijvers. Dergelijke bijeenkomsten worden doorgaans gevolgd door een borrel, waarmee er regelmatig gelegenheid is tot informeel contact met mede-studenten, docenten, medewerkers en andere mensen uit het literaire veld.
| < Vorige | Volgende > |
|---|
